Voorwoord
We leven in de 21-ste eeuw al zou je dat niet zeggen. Nog steeds vermoorden de vertegenwoordigers van verschillende religies elkaar. Wat is de oorzaak van dit fanatisme?
Het uitdragen van een geloof is één ding, maar waarom gaat dit in een aantal gevallen
samen met moord en doodslag? Denken deze gelovigen dat ze de ware godsdienst en
de enige religie aanhangen of is er iets meer aan de hand? Misschien is het de twijfel
aan de eigen religie of nog iets anders? Het is absurd en verwerpelijk menselijk gedrag dat je mag verwachten in de Steentijd, maar niet in de 21-ste eeuw.
Het wordt daarom tijd om op zoek te gaan naar iets, waar geen geweld aan te pas
komt, wat vredelievend is. Waaraan je niet hoeft te twijfelen of in te geloven, maar
wat je zeker weet en waar je houvast en steun aan hebt.
In de volgende bladzijden zal ik mijn visie uiteenzetten.

In de volgende bladzijden zal ik mijn visie uiteenzetten. Het is een eenvoudige en voor iedereen begrijpelijke visie, die levensvragen (*) een plaats geeft. Los van traditie en religie leert het ons om met een frisse blik om ons heen te kijken en oplossingen te zoeken voor (levens)vragen die ons bezighouden. Op de tweede plaats geeft deze visie een houvast, steun en troost in tal van zaken die voor iedereen van belang zijn.
Het is een visie, waarbij we allemaal herder zijn en tegelijkertijd schaap; waar geen
hiërarchische organisatie aan te pas komt en we samen de waarden en normen
bepalen en de wetten op een democratische wijze vaststellen.

Het gaat mij niet om de bewijsvoering of God al dan niet bestaat. Het gaat mij veel meer om levensvragen, niet zozeer om levensvragen te beantwoorden, maar om ze een plaats te geven. Dat schept rust en zorgt in zekere mate voor houvast. Het is als een snoepje: als je weet in welke lade [god(?)] het snoepje ligt, geeft dat een
bevredigender gevoel dan dat je niet weet of er überhaupt wel een snoepje [God] aanwezig is.

In mijn analyse ga ik in hoe het geloof (van alle godsdiensten) omgaat met de
vertaling van levensvragen. Daarbij betrek ik zaken die met het geloof samenhangen, zoals de normen, waarden en wetten die door de kerkelijke organisaties (de
vertegenwoordigers van de godsdiensten) worden uitgedragen. Deze instituties claimen het bestaan van God en wijzen bij de bewijsvoering naar hun eeuwenoude geschriften (lees: bijbel, thora, koran enz.). En dat is nog niet alles. Zij schrijven hun gelovigen voor volgens welke waarden en normen zij dienen te leven en aan welke wetten ze moeten gehoorzamen. Hun oude geschriften zijn hierbij leidend. Daar komt nog bij dat kerkelijke organisaties sterk hiërarchisch zijn opgebouwd. Het mengsel van eeuwenoude bronnen en een hiërarchische opbouw staan garant voor conservatieve instituties die meer oog hebben voor tradities dan voor hedendaagse veranderingen.
Het is voor gelovigen niet eenvoudig om zich af te keren van deze conservatieve
organisaties (moskee, tempel, synagoge, enz.). Immers, de kerk geeft antwoord op
levensvragen, biedt steun en houvast bij de invulling van hun leven en troost en
moedigt hen aan als dat nodig is.
Kortom: God (en zijn vertegenwoordigers op aarde) zijn de herder en de kudde hoeft slechts te volgen.
Dat is een veilig beeld. En zolang er gras genoeg is en de wolven op afstand blijven, is er weinig mis mee. Problematisch wordt het als het gras opraakt of als een naburige kudde er andere gewoontes op na gaat houden. Ernstiger wordt het als de ene kudde tegen de ander opgezet wordt. Verwerpelijk is het als schapen veranderen in wolven. We kennen allemaal de voorbeelden.

(*) levensvragen: zoals: waar komen wij vandaan; wat is oneindigheid; wat was er voordat het heelal ontstond; enz.?


Inleiding
Ik geloof het
“Morgen gaat het beter, geloof ik.”
“Weet je dat zeker of geloof je het alleen maar?”
“Zeker weet je het nooit, ik geloof het.”
Ik vraag het, omdat het woord ‘geloof’ twee betekenissen heeft: het ‘niet zeker weten
en het religieuze begrip ‘geloven’: citaat(*) waaronder één van de vele vormen van

 
 

zingeving wordt verstaan, of het zoeken naar betekenisvolle verbindingen, waarbij meestal een hogere macht, opperwezen of god centraal staat (einde citaat). In deze laatste betekenis heeft het woord geloof een tegengestelde betekenis gekregen. Gelovigen spreken van een overtuiging, ze weten het zeker. Zo zeker dat ze andersgelovigen als ongelovigen of heidenen bestempelen. Het gaat zelfs in een aantal gevallen zo ver dat andersgelovigen niet alleen in woord - maar ook fysiek worden aangevallen. Denk hierbij aan de vervolging van de christenen in de Romeinse tijd, de kruistochten, de inquisitie, de beeldenstorm, de strijd in Noord Ierland tussen katholieken en protestanten en recent de jihad.
(*) Bron Wikipedia (https://nl.wikipedia.org/wiki/Religie)

Waar komt al die woede toch vandaan? Wat bezielt gelovigen - christenen, joden, moslims, hindoes en andere geloofsgroepen - om andersdenkenden aan te vallen? Vanwege het gebruik van andere rituelen? Vanwege de sociale - en/of economische

 
 

achterstand die de ene groep gelovigen heeft ten opzichte van de andere? Omdat de ene groep de lakens uitdeelt en de ander de servetten slechts mag opvouwen? Of om hun eigen twijfel over het geloof te verdringen? God mag het weten.
Overigens: ik ben niet op zoek naar oorzaken, maar naar oplossingen.

In ieder geval zien we door de eeuwen heen dat de ene groep gelovigen de andere groep naar het leven staat. Uit naam van die Ene wordt de ander om zeep gebracht.
Maar verkondigen zij niet tegelijkertijd dat die Ene er voor allemaal is? Daar klopt toch iets niet.
Terug naar het woord ‘geloof’. Zoals gezegd: niemand twijfelt aan de betekenis van geloof als er niet zeker weten mee wordt bedoeld. Zodra de betekenis geloven echter aan een godsdienst gekoppeld wordt, verandert de betekenis van niet zeker weten in overtuiging. Het woord geloofsovertuiging is een intern tegenstrijdig woord, een contradictie in terminus om het maar eens deftig te zeggen...
Er moet toch iets met die betekenis in de loop der eeuwen fout zijn gegaan. Daarom wil ik het één en ander opnieuw definiëren al was het maar om meer bloedvergieten te voorkomen. (Dat is waarschijnlijk ijdele hoop, want de geschiedenis leert dat iedereen, die er een andere visie op na houdt en de bestaande godsdienst in twijfel trekt, op zijn minst met pek en veren wordt ingesmeerd en wordt verbannen naar verre oorden waar de ‘duivelse woorden’ niet meer worden gehoord. Ik heb mijn koffers alvast gepakt.)

Visie
Een nieuw begrip god(?)
Er zijn veel vragen waar we geen antwoord op weten. Veel mensen zoeken - voor het antwoord op die vragen - steun bij een religie. Ik zoek het antwoord niet bij een godsdienst maar bij mijzelf. Eigenlijk zoek ik geen antwoord, want ik weet dat het antwoord (nog) niet beschikbaar is. Nee, ik geef die vraag een plaats en dat doe ik met de volgende definitie.

Definitie: Alles wat ik niet begrijp, alles wat ik niet kan bevatten, noem ik ‘god(?)’.

 
 

Dat schrijf ik met een kleine letter ‘g’ en een vraagteken om aan te duiden dat het begrip god(?) bestaat uit een verzameling vragen. Het betreft hier dus niet het opperwezen met dezelfde naam, maar een begrip. Het begrip god(?) betekent: ik weet het (nog) niet.
Laat ik als voorbeeld noemen het begrip ‘oneindigheid’. Wij kunnen ons daar geen of nauwelijks een voorstelling van maken. Onze hersenen zijn waarschijnlijk niet toereikend genoeg om dat begrip te omvatten. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Er is zoveel dat wij (nog) niet kunnen begrijpen of waar we slechts een vage voorstelling van hebben: hoe is het heelal ontstaan en wat was er voor die tijd; hoe kan er uit dode materie ‘leven’ ontstaan; hoe is het mogelijk dat er zo’n diversiteit aan leven op deze planeet is; wat is zwaartekracht precies? Enzovoort. Al die vragen noem ik god(?).
De vragen die we ons vandaag stellen, krijgen misschien ‘morgen’ een antwoord, maar dat betekent niet dat het nieuwe begrip god(?) aan betekenis inboet. Integendeel, daarmee komen we een stapje dichter bij god(?).

Dit nieuwe begrip god(?) maakt het leven een stuk eenvoudiger. Je hebt er geen kerk, moskee, synagoge, tempel enz. voor nodig. Evenmin een religieuze organisatie die jou vertelt waar we vandaan komen en hoe de wereld in elkaar steekt. Deze organisaties hebben we ook niet meer nodig om ons voor te houden wat we allemaal moeten doen en laten om een goed mens te worden. Dat kunnen we voortaan zelf als opvoeders. En als we er niet goed uitkomen, zijn er pedagogen die we om raad kunnen vragen. Onze normen en waarden hoeven niet meer te worden opgelegd door pausen, dominees, opperpriesters, rabbi’s, ayatollahs, grootmoefti’s of welke geestelijken dan ook, die zeggen de wijsheid in pacht te hebben.
Wat een vrijheid, maar ook: wat een (eigen) verantwoordelijkheid. Met het begrip god(?) worden we gedwongen zelf na te denken over hoe alles in elkaar steekt en hoeven we niet meer de eeuwenoude leer te volgen. Kortom, als we iets niet kunnen bevatten, noemen we het eenvoudigweg god(?). Nu we alle vragen waar we geen antwoord op weten god(?) noemen, weten we een ding zeker: deze verzameling onbeantwoorde vragen bestaat. Daarmee komen we tot de volgende stelling:

Stelling: god(?) bestaat.

 
 
Revolutie?
Is deze visie een aanzet tot een revolutie? Ja, in zekere zin wel: een revolutie in het bewustzijn, maar geen revolutie in de zin van een (gewelddadige) omwenteling. Deze visie is eenvoudig en voor iedereen begrijpelijk, maar dat neemt niet weg dat de uiteindelijke gevolgen uiterst gecompliceerd en verstrekkend kunnen zijn, want het kan het einde van de religies betekenen.
In eerste instantie is deze visie enkel een poging om met een frisse blik om ons heen te kijken en oplossingen te zoeken voor (levens)vragen die ons bezighouden. Op de tweede plaats geeft deze visie een houvast, steun en troost in tal van zaken. De religies bieden weliswaar ook oplossingen, houvast en troost, maar zij leveren een ander antwoord (verkondigen een andere boodschap). Daarbij hebben de aanhangers van religies zich in het verleden en helaas ook in het heden maar al te vaak schuldig gemaakt aan excessen die niet leidden naar de oplossing van levensvragen. Deze excessen roepen eerder vragen op dan dat zij oplossingen bieden. Daarom zetten we de religies even in de wachtkamer.

Is deze visie een nieuwe religie? Integendeel, het is geen nieuw geloof; het is een nieuwe zekerheid.
Neemt deze visie de positie over van de religies? Hopelijk wel, want het is een visie die niet te vuur en te zwaard uitgedragen hoeft te worden. Het zal echter niet van vandaag op morgen de plaats van de huidige religies overnemen. Immers, de bestaande religies zijn diep geworteld in ons bestaan en hun vertegenwoordigers zullen niet snel hun geloof opgeven.
 
 

Bestaande religies
Een paar voorbeelden waarom de religies hun positie niet snel zullen inwisselen voor een vreedzame visie. Hier volgen enkele voorbeelden.

De heilige geschriften
Religieuzen putten hun geloof uit hun geschriften. Het zal nog wel een tijdje duren voordat zij hun heilige boeken enkel zullen beschouwen als weliswaar boeiende, maar oude geschriften uit een ver verleden. De stap om deze oude geschriften te relativeren als het gaat om het vaststellen van de leidraad in het leven, is voor religieuzen - die deze geschriften als heilig en onaantastbaar beschouwen - een gigantische stap.
Wat mij betreft zijn het oude boeken met veel wijze teksten, maar gedateerd waar het gaat om het bepalen van actuele waarden en normen.

Hiërarchie
De machthebbers binnen de religies zullen hun riante posities binnen hun geloofsgemeenschappen niet snel willen opgeven.
Mijn visie heeft geen instituties nodig en daarmee geen vertegenwoordigers in de hiërarchie van welke organisatie dan ook (lees: kerk, tempel, moskee, synagoge, enz.).

Orthodoxen
Met name orthodox gelovigen staan niet open voor andere ideeën. Ze hechten nogal aan traditie.

Radicalen
Radicalen denken niet na, maar volgen de leiders. Ze zijn bereid geweld te gebruiken als hun leider dat gebiedt.

God(?) bestaat
Goed, we weten nu dat god(?) bestaat, maar waar halen we dan onze normen en waarden vandaan? Wat geeft ons richting in het leven? Wat biedt ons houvast? We hebben een aantal uitgangspunten nodig, waar iedereen zich aan dient te houden. Die uitgangspunten bestaan er gelukkig al. We dienen ze alleen te toetsen of ze nog ‘up-to-date’ zijn.

Houvast
Godsdienst is door de eeuwen heen een groot houvast voor de mens. Wij zoeken er steun bij en vinden er troost. Onze waarden en normen worden getoetst aan de waarde en normen van onze geloofsgemeenschap. Daar is niet veel mis mee. Het gaat alleen mis als die waarden en normen niet meer overeenkomen met de gangbare waarden en normen, of afwijken van de waarden en normen die elders gehanteerd worden. Dan ontstaan verschillen en daaruit ontstaan weer geschillen.
In dat geval ligt de oplossing niet in de interpretatie van geschriften die duizenden jaren geleden door ongetwijfeld wijze mannen zijn opgeschreven (ik heb helaas nooit

 
 

gehoord dat ook vrouwen een bijdrage hebben geleverd).
Het ligt veel meer voor de hand de waarden en normen te toetsen aan het heden en die samen vast te stellen. In gezamenlijkheid door mannen en vrouwen uit alle landen.
Dat vraagt om het vastleggen van uitgangspunten en - zoals gezegd - die zijn er al: ik noem de Universele Rechten van de Mens, vastgelegd in het manifest van de Verenigde Naties. Verder de geschriften van de verschillende religies.
Deze geschriften vormen de basis voor grondwetten en de wetten die in de burgerlijke wetboeken van veel landen zijn vastgelegd.
Ik blaas het stof weg en open één van die oude geschriften: de bijbel.
Veel waarden en normen vinden hun oorsprong in de ‘Tien Geboden’ of andere geboden van andere godsdiensten. Daarom is het wellicht interessant om deze eens onder de aandacht te brengen en te toetsen aan het nieuw begrip god(?) dat we hebben gedefinieerd.

De tien geboden
De tien geboden zijn diep verankerd in ons dagelijks leven en vormen onder meer de basis van ons burgerlijk wetboek. Deze geboden of wetten zijn voor gelovigen zo vanzelfsprekend dat zij zich nauwelijks meer afvragen wat ze eigenlijk inhouden, laat staan kritisch bekijken. Nee, sterker nog; gelovigen gaan zelfs elke discussie uit de weg met de opmerking dat de tien geboden een onderdeel zijn van de heilige schrift, en daarmee heilig en absoluut zijn, en buiten elke discussie staan. Dat houdt mij niet tegen om te kijken hoe up-to-date de tien geboden nog zijn? Zijn ze rijp voor de stofkam, het snoeimes, moeten we er met een bulldozer doorheen of kunnen we ze ongewijzigd laten staan?

 
 

Uitgangspunt bij deze analyse is mijn nieuwe begrip god(?) zonder daarbij aan welke godsdienst/religie dan ook te denken.
Verder heb ik als voorbeeld van de tien geboden tamelijk willekeurig gekozen voor de King James Bible, vertaling Wikipedia (*). Ik had ook voor een andere versie (vertaling) kunnen kiezen, maar voor mijn betoog doet dat er niet zoveel toe.
(*) http://en.wikipedia.org/

We beginnen, als geheugensteuntje - en voor de minder bijbelvaste lezers - eerst met de opsomming van de tien geboden.

King James Bible
Ik ben de Heere uw god, die u uit Egypte, uit het diensthuis, geleid heb.
1. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht aanbidden.
2. Gij zult u geen gesneden beeld maken.
3. Gij zult den Naam des Heeren uws Gods niet ijdel gebruiken.
4. Gedenkt den sabbat, dat gij dien heiligt.
5. Eert uw vader en uw moeder.
6. Gij zult niet doodslaan.
7. Gij zult niet echtbreken.
8. Gij zult niet stelen.
9. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
10. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw,
noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn dieren, noch
iets, dat uws naasten is.

Bron: Exodus 20:1-17, vertaling: King James Bible uit de 17e eeuw.

 
 

We gaan de geboden één voor één bekijken.

Het eerste gebod
Het christelijke geloof (en niet alleen dat geloof) gaat ervan uit dat God de enige ware God is. Het is de almachtige en alwetende God. Is het dan niet vreemd dat Hij zich in zijn oneindige wijsheid druk maakt om de concurrentie? Als Hij de schepper en bestuurder van dit alles is, dan heeft Hij weinig te duchten van welke andere God dan ook, die leeft in het bewustzijn van welk levend wezen dan ook. Je zou het eerste gebod kunnen typeren als een zwaktebod, voortkomend uit de angst om in een concurrentieslag ten onder te gaan. Dat strookt niet met het beeld van de almachtige God.
Natuurlijk, historisch en menselijk gezien is dit eerste gebod wel te begrijpen. Bij het verspreiden van de leer, bij de introductie van de nieuwe godsdienst dien je de concurrentie (het bestaande geloof) te overtreffen of op zijn minst op een zijspoor te zetten. Het ligt voor de hand dat dit gebod niet door het opperwezen is ingefluisterd, maar is ontsproten aan het brein van de godsdienstverspreiders uit het verleden. Het dient alleen het doel van de alleenheerschappij van de religie of de alleenheerschappij van het kerkgenootschap.

 
 

Dit gebod staat zelfs op gespannen voet met de Nederlandse grondwet, die uitgaat van godsdienstvrijheid voor iedereen (hoofdstuk 1, artikel 1 en 6), om maar te zwijgen over de NMa, de Nederlandse Mededingingsautoriteit die monopolisering te vuur en te zwaard bestrijdt.

Wat betreft het nieuwe begrip god(?): ieder mens zal andere onderwerpen (vragen) aan zijn of haar begrip god(?) toevoegen. Zodat god(?) voor ieder mens anders is. Het eerste gebod staat dus haaks op de nieuwe betekenis van god(?): elk mens heeft een andere god(?). Dit eerste gebod kan alvast geschrapt worden.

Het tweede gebod
Dit gebod komt bij de katholieke vertaling niet voor. Zoals bekend maken katholieken zich niet druk om het vervaardigen van een beeltenis, en terecht. Want wat zal het God uitmaken of Hij vereerd wordt met of zonder beeltenis. In zijn opperste wijsheid zal Hij zich best voor kunnen stellen dat sommige stervelingen behoefte hebben aan een tastbaar beeld om Hem te vereren. Anderen zullen zonder tastbaar beeld, in hun geest een voorstelling maken van God. Het vervaardigen of bedenken van hulpmiddelen lijkt mij geen doodzonde en zeker geen ondermijning van het geloof.
Ook dit gebod lijkt in het verre verleden te zijn ingegeven om zich te onderscheiden van de concurrentie. Een door mensen bedacht gebod en in deze tijd van geen enkel nut. Schrappen dat tweede gebod.

Wat betreft het nieuwe begrip god(?). Het ligt juist voor de hand dat de mens zich een beeld vormt van datgene wat hij niet begrijpt of kan bevatten. Zo’n beeld helpt wellicht om iets wel - al is het slechts een poging in de hopelijk goede richting - te snappen. Het hoort dus niet thuis bij de geboden, maar zou op een andere plaats wel een aanmoediging zijn. Zoiets van: wij raden iedereen aan om zich een beeld te vormen van god(?).

Komen we bij het derde gebod
Natuurlijk is het niet leuk als iemand je naam uitschreeuwt als hij met een hamer op zijn duim slaat. Vanzelfsprekend is het onaangenaam om je naam te horen als iemand dol van woede is. Het zijn menselijke emoties. Het uitroepen, wat zeg ik, het uitschreeuwen van een naam is enkel luchtverplaatsing langs een strottenhoofd bij een gegeven stand van de tong en mondholte. Lucht, strottenhoofd, mondholte en tong die - zoals de religie zegt - door God geschapen zijn. Hij zal zich daar in zijn eindeloze wijsheid niet aan storen, sterker nog: Hij zal zijn andere oor naar de spreker wenden om nog meer

 
 
verwensingen te horen (vrij naar Mattheüs 5:39).
Het zijn slechts woorden die in een vlaag van woede of pijn worden uitgesproken. De oneindig wijze God zal deze woorden kunnen relativeren. De priester, pater of voorganger daarentegen, die streeft naar een harmonieuze samenleving zal de koppeling van de naam van God aan ontregelend gedrag minder waarderen en het proberen uit te bannen.
Alles wijst hier op een door mensen bedacht gebod. Kijken we tenslotte naar het gewicht van dit gebod ‘Gij zult niet vloeken’ en vergelijken we het met het gebod ‘Gij zult niet doden’ dan kunnen we stellen dat het eerste niet opweegt tegen het laatste. Ik stel dan ook voor om dit gebod weg te halen bij de tien geboden en te verplaatsen
 
 

naar het ‘Grote Boek der Etiquette’.

Ook in het licht van het nieuwe begrip god(?) is er geen enkel bezwaar om het woord uit te spreken al zal een ander vreemd opkijken als iemand - die zich met een hamer op de duim slaat - god(?) aanroept. Immers, je mag ervan uit gaan dat het slachtoffer begrijpt waar de pijn vandaan komt en dat hij hier het begrip god(?) fout gebruikt.

Het vierde gebod
Zes dagen werken en een dag rust. Het lijkt op een eis van de vakbond. Eeuwenlang kon dit gebod - vanwege erbarmelijke levensomstandigheden - niet nageleefd worden. En nu nog is het soms bittere noodzaak om alle zeven dagen van de week op zijn minst enige arbeid te verrichten. Dat laat onverlet dat de mens behoefte heeft aan rust. Nu dat is vastgelegd in het Handvest van de Universele Rechten van de Mens van de Verenigde Naties (artikel 24) is het - gezien de toevoeging van een nieuw gebod (waarover dadelijk meer) - op deze plaats niet meer nodig om het te vermelden. Dit gebod kan geschrapt worden.

Het vijfde gebod
Waarom is dit gebod beperkt tot enkel de vader en de moeder? Hebben zij extra bescherming nodig? Heeft niet elk individu behoefte aan eer en/of respect? Respect vind ik trouwens een beter woord. Moet niet elk levend wezen met respect behandeld worden? En wat te denken van het milieu? Moeten wij er niet voor zorgen dat zowel planten als dieren en ook de mens zelf niet ten onder gaat door menselijk handelen?
Het gebod wordt dan: U dient verantwoord om te gaan met de natuur, met name met uw leefomgeving en u dient elk levend wezen te respecteren, met name uw medemens.

Het zesde gebod

 
 

Dit gebod is nog up to date. Dat laten we zo staan al kan daar pijnigen (zowel lichamelijk als geestelijk) aan toegevoegd worden.
Het gebod wordt dan: u zult niet doden of pijnigen (zowel lichamelijk als geestelijk).

Het zevende gebod
Daar zit ik wel mee. Echtbreken of - in ruimere zin van het woord - je partner verlaten als je geen gat meer ziet in de relatie. Het is een typisch tijdsgebonden verschijnsel. Een echtscheiding was vroeger een daad die te vergelijken was met een poging tot moord: echtlieden hadden elkaar nodig. Viel er een weg dan werd er uit pure noodzaak binnen een jaar hertrouwd. De man werkte op het land en de vrouw zorgde voor het eten en de kinderen. De kinderen waren op hun beurt voor de echtlieden de verzekering voor hun oudedagvoorziening.
Maar in deze tijden van welvaart heeft het beëindigen van een relatie - vooral als er geen kinderen zijn - geen verstrekkende gevolgen, met tot gevolg dat slechts weinig paren een leven lang bij elkaar blijven.
Kortom een modieus gebod dat duidelijk niet is ingefluisterd door het opperwezen maar ontsproten is aan het menselijk brein. In de ijskast zetten tot het moment dat de tijden veranderen, zou ik zeggen.

Het achtste gebod
Samen met ‘niet doden’ is ‘niet stelen’ een van de fundamenten waarop ons wetboek van strafrecht is gebouwd. Handhaven dus.

Het negende gebod 
Een moeilijke zaak. Niet liegen tegen je naaste en een ander - die wat verder van je af staat - wel besodemieteren? Als dit een gebod is dat voortkomt uit een almachtige en eindeloos wijze goddelijke geest dan dient hier te staan dat je tegen niemand, maar dan ook niemand ‘een valse getuigenis mag afleggen’. Maar is dit reëel: altijd de waarheid spreken? Alleen een heilige is hiertoe in staat. En er zijn zelfs situaties waarbij het uitspreken van de waarheid verstrekkende (negatieve) gevolgen kan hebben voor anderen. Schrappen en opnieuw formuleren (zie twaalfde gebod).

 
 

Het tiende gebod
De begeerte uitsluiten is iemands drift om iets te verkrijgen, ontnemen. Dat verkrijgen kan bijvoorbeeld ook betekenen: kennis verwerven. Begeerte, of minder negatief: ‘de behoefte’ of ‘de wil om te hebben’ is de drijfveer om actie te ondernemen, de prikkel om op onderzoek uit te gaan, te ontdekken hoe je iets moet verkrijgen of begrijpen. Daar is niets mis mee, mits het op een eerlijke en fatsoenlijke manier gebeurt. Stelen en afpakken zijn uit den boze, handel en onderhandelen acceptabel. Stelen is al geregeld met het achtste gebod: ‘u zult niet stelen’, dus dat aspect kunnen we buiten beschouwing laten. Dat de handel en de onderhandeling op een harmonieuze wijze plaats moet vinden, is geregeld in het zesde gebod: ‘u zult niet doden of pijnigen’, want dat betekent dat de onderhandeling verloopt zonder geestelijk pijnlijden. Het woord ‘begeerte’ heeft een negatieve inhoud. Beter is het om het te vervangen voor het begrip ‘het streven naar verandering en vernieuwing’ en als dat niet ten koste gaat van iemands leven, onaanvaardbare pijn oplevert of via diefstal verkregen wordt, dan is dat acceptabel.Het tiende gebod is dan overbodig en kan geschrapt worden.

Samenvattend kan gezegd worden dat we slechts vier geboden in aangepaste vorm overhouden. Daar moeten we zeker nog een gebod aan toevoegen.

Het elfde gebod
De rechten van de mens zijn vastgelegd in het Handvest van de Verenigde Naties. Het ligt dan ook voor de hand om met deze rechten te beginnen (zie: bijlage 2).
Het gebod luidt: u dient u altijd te houden aan de Universele Rechten van de Mens, zoals die zijn vastgelegd in het Handvest van de Verenigde Naties.

Blijft tenslotte nog een zwak punt over: liegen. Ik pleit voor het opnieuw formuleren van het negende gebod, dat de voorlopige werktitel ‘het twaalfde gebod’ meekrijgt..

Het twaalfde gebod
Vanwege het discutabele van het negende gebod: u zult niet liegen tegen uw naaste, formuleren we dit gebod opnieuw. Ik kan me voorstellen dat je in een situatie komt waarbij iemand zich niet houdt aan één van de geboden en je dwingt om dingen te zeggen (de waarheid) waardoor anderen of jijzelf in onacceptabele omstandigheden komt. Het twaalfde gebod zorgt dan voor een aanvaardbare oplossing.

Het gebod luidt dan: U dient onder alle omstandigheden de waarheid te spreken tot zover dat anderen of jezelf niet in (levens) gevaar brengt.

 
 

Ik heb zes geboden geschrapt omdat ze slechts het belang van een kerkgenootschap dienen en zijn ontstaan uit ‘PR-overwegingen’. Ik heb een gebod toegevoegd en één herschreven. Als we nu de nummering aanpassen, komen we tot de volgende geboden.

De vijf geboden
1. U dient u altijd te houden aan de Universele Rechten van de Mens, zoals die zijn vastgelegd in het Handvest van de Verenigde Naties.
2. U dient verantwoord om te gaan met de natuur, met name met uw leefomgeving en u dient elk levend wezen te respecteren, met name uw medemens.
3. U zult niet doden of pijnigen (zowel lichamelijk als geestelijk).
4. U zult niet stelen.
5. U dient onder alle omstandigheden de waarheid te spreken tot zover dat anderen of jezelf niet in (levens) gevaar brengt.

Stel nu dat de mensheid het nieuwe begrip god(?) overneemt, waar halen ze dan hun houvast, steun en troost vandaan?
Houvast. Wel, één zekerheid hebben ze: god(?) bestaat.
Steun. Steun vinden ze in de vijf geboden.
Troost. Troost wordt gevonden door samen te blijven komen en met elkaar te praten over alles wat je bezighoudt en wellicht van gedachten te wisselen over elkaars god(?). Voor die bijeenkomsten zijn geen megalomane gebouwen meer nodig die grootsheid

 
 

en macht uitstralen. De focus ligt op communicatie, de uitwisseling van gedachten, gevoelens en meningen. Meer is niet nodig.

Geloven
Hoe zit het dan met je geloof? Geloof je dat de wereld geschapen is door een opperwezen? Geloof je dat je in de hemel komt na je dood? Niemand heeft het recht je dat geloof af te pakken. Het is jouw beeld, jouw voorstelling die je hebt gemaakt bij de levensvragen die je jezelf hebt gesteld. Het is jouw voorstelling bij god(?). Zeg alleen niet dat je het zeker weet en dwing anderen niet om hetzelfde te geloven. Het is enkel jouw fantasie. En zolang er geen bewijs is dat jouw fantasie waar is, blijft het god(?).
Wat is er dan anders dan voorheen?
In de ideale situatie zijn er geen instituties meer (lees: kerken, tempels, synagogen, moskeeën, enz.) die voorschrijven, preken, verkondigen wat je moet geloven. Dat betekent het einde van de religies en daarmee het einde aan de verkondiging van hun leer. Dat kan het verstrekkende gevolg zijn van deze visie.

Ongelovigen
En de ongelovigen? De ongelovigen bestaan alleen in het bewustzijn van degenen die vasthouden aan de religies. Voor hen die het nieuwe begrip god(?) aanvaarden,

 
 

bestaat de ongelovige niet. Immers, iedereen heeft zijn fantasieën, zijn geloof en niemand weet het zeker tot dat er antwoord komt op zijn of haar vragen die zijn ondergebracht bij god(?). Daarmee krijgt het woord geloof zijn oude betekenis weer terug en wordt alleen gebruikt als je het niet zeker weet, zoals het weer van morgen of het geloof in een betere toekomst.

Op naar een betere wereld!

plaats: de aarde

datum: 18 januari 2016

 
 

Bijlage 1

Voorbeeld hoe religies hun autoriteit gebruiken om het gedrag van hun volgelingen te beïnvloeden.

Misleiding

Moslimgeestelijken beweren dat moslims, die een martelarendood sterven in de hemel beloond worden met 72 (?) maagden. Nu weet ik natuurlijk niet of er een hiernamaals is en ook niet wat er na de dood met je gebeurt. Vanwege het nieuwe begrip god(?) noem ik dat eenvoudigweg god(?). Als ik me daar een voorstelling (beeld) bij maak dan fantaseer (geloof) ik dat er na de dood geen sprake meer is van een lichaam. Ik vraag me dan af wat zo’n moslim aan moet met 72 maagden, die immers ook geen lichaam meer hebben. En stel je voor dat je na je dood wel weer in een lichaam terecht komt. Dan lijkt me de kans uiterst klein - gezien de diversiteit aan levende organismen, waaruit een keuze gemaakt kan worden - dat het in dat geval een menselijk lichaam zal zijn. Stel je voor dat je in het lichaam van een krokodil terecht komt. Nou, dan zetten die 72 maagden het op een lopen. Tenminste, als die wel in een menselijk lichaam terecht zijn gekomen. De kans daarop lijkt me ook uiterst klein. Het lijkt me meer voor de hand liggen dat ze bijvoorbeeld in een boom of sprinkhaan veranderen. Die krokodil zal zich in dat geval aardig bekocht voelen. Overigens is het verhaal van de 72 maagden een typisch uit de mannengeest ontsproten gedachte, hetgeen weer een aanwijzing is dat alle religies door de mens bedacht zijn.
Het is als een doos taartjes, die - bij thuiskomst geopend - stenen blijkt te bevatten. In dat geval zou je ogenblikkelijk naar de banketbakker teruggaan en je geld opeisen, waarna je nog eens duidelijk maakt dat je van dit soort handelswijze niet gediend bent.
Maar ja, in het geval van de 72 maagden is de ‘banketbakker’ nog steeds aan gene zijde.

Bij een geloofsgemeenschap weet je het nooit zeker of er taartjes of alsnog stenen in de doos zitten. Het is een geloof. En als je er achter komt is het in het gunstigste geval honderd jaar later.

 

Bijlage 2

Universele verklaring van de rechten van de mens

Preambule
Overwegende, dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld;
Overwegende, dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan en dat de komst van een wereld, waarin de mensen vrijheid van meningsuiting en geloof zullen genieten, en vrij zullen zijn van vrees en gebrek, is verkondigd als het hoogste ideaal van iedere mens;
Overwegende, dat het van het grootste belang is, dat de rechten van de mens beschermd worden door de suprematie van het recht, opdat de mens niet gedwongen worde om in laatste instantie zijn toevlucht te nemen tot opstand tegen tirannie en onderdrukking;
Overwegende, dat het van het grootste belang is om de ontwikkeling van vriendschappelijke betrekkingen tussen de naties te bevorderen;
Overwegende, dat de volkeren van de Verenigde Naties in het Handvest hun vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de mens en in de gelijke rechten van mannen en vrouwen opnieuw hebben bevestigd, en besloten hebben om sociale vooruitgang en een hogere levensstandaard in groter vrijheid te bevorderen;
Overwegende, dat de Staten, welke Lid zijn van de Verenigde Naties, zich plechtig verbonden hebben om, in samenwerking met de Organisatie van de Verenigde Naties, overal de eerbied voor en inachtneming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te bevorderen;
Overwegende, dat het van het grootste belang is voor de volledige nakoming van deze verbintenis, dat een ieder begrip hebbe voor deze rechten en vrijheden;
Op grond daarvan proclameert de Algemene Vergadering deze Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als het gemeenschappelijk door alle volkeren en alle naties te bereiken ideaal, opdat ieder individu en elk orgaan van de gemeenschap, met deze verklaring voortdurend voor ogen, er naar zal streven door onderwijs en opvoeding de eerbied voor deze rechten en vrijheden te bevorderen, en door vooruitstrevende maatregelen, op nationaal en internationaal terrein, deze rechten algemeen en daadwerkelijk te doen erkennen en toepassen, zowel onder de volkeren van Staten die Lid van de Verenigde Naties zijn, zelf, als onder de volkeren van gebieden, die onder hun jurisdictie staan:

Artikel 1
Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.

Artikel 2
Een ieder heeft aanspraak op alle rechten en vrijheden, in deze Verklaring opgesomd, zonder enig onderscheid van welke aard ook, zoals ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.
Verder zal geen onderscheid worden gemaakt naar de politieke, juridische of internationale status van het land of gebied, waartoe iemand behoort, onverschillig of het een onafhankelijk, trust-, of niet-zelfbesturend gebied betreft, dan wel of er een andere beperking van de soevereiniteit bestaat.

Artikel 3
Een ieder heeft het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon.

Artikel 4
Niemand zal in slavernij of horigheid gehouden worden. Slavernij en slavenhandel in iedere vorm zijn verboden.

Artikel 5
Niemand zal onderworpen worden aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

Artikel 6
Een ieder heeft, waar hij zich ook bevindt, het recht als persoon erkend te worden voor de wet.

Artikel 7
Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder onderscheid aanspraak op gelijke bescherming door de wet. Allen hebben aanspraak op gelijke bescherming tegen iedere achterstelling in strijd met deze Verklaring en tegen iedere ophitsing tot een dergelijke achterstelling.

Artikel 8
Een ieder heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp van bevoegde nationale rechterlijke instanties tegen handelingen, welke in strijd zijn met de grondrechten hem toegekend bij Grondwet of wet.

Artikel 9
Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige arrestatie, detentie of verbanning.

Artikel 10
Een ieder heeft, in volle gelijkheid, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen en bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging.

Artikel 11
1 Een ieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft er recht op voor
onschuldig gehouden te worden, totdat zijn schuld krachtens de wet bewezen
wordt in een openbare rechtszitting, waarbij hem alle waarborgen, nodig voor zijn
verdediging, zijn toegekend.
2 Niemand zal voor schuldig gehouden worden aan enig strafrechtelijk vergrijp op
grond van enige handeling of enig verzuim, welke naar nationaal of internationaal
recht geen strafrechtelijk vergrijp betekenden op het tijdstip, waarop de handeling
of het verzuim begaan werd. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd
dan die, welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.

Artikel 12
Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige inmenging in zijn persoonlijke aangelegenheden, in zijn gezin, zijn tehuis of zijn briefwisseling, noch aan enige aantasting van zijn eer of goede naam. Tegen een dergelijke inmenging of aantasting heeft een ieder recht op bescherming door de wet.

Artikel 13
1 Een ieder heeft het recht zich vrijelijk te verplaatsen en te vertoeven binnen de
grenzen van elke Staat.
2 Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten en
naar zijn land terug te keren.

Artikel 14
1 Een ieder heeft het recht om in andere landen asiel te zoeken en te genieten tegen
vervolging.
2 Op dit recht kan geen beroep worden gedaan ingeval van strafvervolgingen
wegens misdrijven van niet-politieke aard of handelingen in strijd met de
doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties.

Artikel 15
1 Een ieder heeft het recht op een nationaliteit.
2 Aan niemand mag willekeurig zijn nationaliteit worden ontnomen, noch het recht
worden ontzegd om van nationaliteit te veranderen.

Artikel 16
1 Zonder enige beperking op grond van ras, nationaliteit of godsdienst, hebben
mannen en vrouwen van huwbare leeftijd het recht om te huwen en een gezin te
stichten. Zij hebben gelijke rechten wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk
en bij de ontbinding ervan.
2 Een huwelijk kan slechts worden gesloten met de vrije en volledige toestemming
van de aanstaande echtgenoten.
3 Het gezin is de natuurlijke en fundamentele groepseenheid van de maatschappij
en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de Staat.

Artikel 17
1 Een ieder heeft recht op eigendom, hetzij alleen, hetzij tezamen met anderen.
2 Niemand mag willekeurig van zijn eigendom worden beroofd.

Artikel 18
Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van de geboden en voorschriften.

Artikel 19
Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven.

Artikel 20
1 Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering.
2 Niemand mag worden gedwongen om tot een vereniging te behoren.

Artikel 21
1 Een ieder heeft het recht om deel te nemen aan het bestuur van zijn land,
rechtstreeks of door middel van vrij gekozen vertegenwoordigers.
2 Een ieder heeft het recht om op voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de
overheidsdiensten van zijn land.
3 De wil van het volk zal de grondslag zijn van het gezag van de Regering; deze wil
zal tot uiting komen in periodieke en eerlijke verkiezingen, die gehouden zullen
worden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemmingen
of volgens een procedure, die evenzeer de vrijheid van de stemmen verzekert.

Artikel 22
Een ieder heeft als lid van de gemeenschap recht op maatschappelijke zekerheid en heeft er aanspraak op, dat door middel van nationale inspanning en internationale samenwerking, en overeenkomstig de organisatie en de hulpbronnen van de betreffende Staat, de economische, sociale en culturele rechten, die onmisbaar zijn voor zijn waardigheid en voor de vrije ontplooiing van zijn persoonlijkheid, verwezenlijkt worden.

Artikel 23
1 Een ieder heeft recht op arbeid, op vrije keuze van beroep, op rechtmatige en
gunstige arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen werkloosheid.
2 Een ieder, zonder enige achterstelling, heeft recht op gelijk loon voor gelijke
arbeid.
3 Een ieder, die arbeid verricht, heeft recht op een rechtvaardige en gunstige
beloning, welke hem en zijn gezin een menswaardig bestaan verzekert, welke
beloning zo nodig met andere middelen van sociale bescherming zal worden
aangevuld.
4 Een ieder heeft het recht om vakverenigingen op te richten en zich daarbij aan te
sluiten ter bescherming van zijn belangen.

Artikel 24
Een ieder heeft recht op rust en op eigen vrije tijd, met inbegrip van een redelijke beperking van de arbeidstijd, en op periodieke vakanties met behoud van loon.

Artikel 25
1 Een ieder heeft recht op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de
gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder inbegrepen
voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke
sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid,
ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis
aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk
van zijn wil.
2 Moeder en kind hebben recht op bijzondere zorg en bijstand. Alle kinderen, al
dan niet wettig, zullen dezelfde sociale bescherming genieten.

Artikel 26
1 Een ieder heeft recht op onderwijs; het onderwijs zal kosteloos zijn, althans wat
het lager en basisonderwijs betreft. Het lager onderwijs zal verplicht zijn.
Ambachtsonderwijs en beroepsopleiding zullen algemeen beschikbaar worden
gesteld. Hoger onderwijs zal openstaan voor een ieder, die daartoe de
begaafdheid bezit.
2 Het onderwijs zal gericht zijn op de volle ontwikkeling van de menselijke
persoonlijkheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens
en de fundamentele vrijheden. Het zal het begrip, de verdraagzaamheid en de
vriendschap onder alle naties, rassen of godsdienstige groepen bevorderen en het
zal de werkzaamheden van de Verenigde Naties voor de handhaving van de vrede
steunen.
3 Aan de ouders komt in de eerste plaats het recht toe om de soort van opvoeding
en onderwijs te kiezen, welke aan hun kinderen zal worden gegeven.

Artikel 27
1 Een ieder heeft het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de
gemeenschap, om te genieten van kunst en om deel te hebben aan
wetenschappelijke vooruitgang en de vruchten daarvan.
2 Een ieder heeft het recht op de bescherming van de geestelijke en materiële
belangen, voortspruitende uit een wetenschappelijk, letterkundig of artistiek werk,
dat hij heeft voortgebracht.

Artikel 28
Een ieder heeft recht op het bestaan van een zodanige maatschappelijke en internationale orde, dat de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, daarin ten volle kunnen worden verwezenlijkt.

Artikel 29
1 Een ieder heeft plichten jegens de gemeenschap, zonder welke de vrije en volledige
ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is.
2 In de uitoefening van zijn rechten en vrijheden zal een ieder slechts onderworpen
zijn aan die beperkingen, welke bij de wet zijn vastgesteld en wel uitsluitend ter
verzekering van de onmisbare erkenning en eerbiediging van de rechten en
vrijheden van anderen en om te voldoen aan de gerechtvaardigde eisen van de
moraliteit, de openbare orde en het algemeen welzijn in een democratische
gemeenschap.
3 Deze rechten en vrijheden mogen in geen geval worden uitgeoefend in strijd met
de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties.

Artikel 30
Geen bepaling in deze Verklaring zal zodanig mogen worden uitgelegd, dat welke Staat, groep of persoon dan ook, daaraan enig recht kan ontlenen om iets te ondernemen of handelingen van welke aard ook te verrichten, die vernietiging van een van de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, ten doel hebben.